De jongen die van koekjes hield

De tweede dag van lesgeven op Agwata Primairy School zit er alweer op. Moe maar voldaan rijden we nu terug naar ons hotel. Op deze wegen is het een wonder dat ik kan typen vanuit de bus, maar ik kan me niet bedwingen het niet te doen. We worden door elkaar gerammeld en mijn vingers schieten het hele scherm over. Toch lukt het, thank god for autocorrect. Vandaag was het 40 graden in Oeganda. De hele dag gleden er druppels langs mijn slapen naar beneden en ik heb geprobeerd de zon te vermijden wanneer ik kon. Onze donkerhuidse collega’s snappen er niets van. “It is not that hot at all”,  zeggen ze met een sarcastische ondertoon in hun stem en een ongelovige gezichtsuitdrukking. “It is when you have white skin”, antwoord ik met een limlach, terwijl ik het zoveelste Tuc koekje uit mijn tas haal om mijn zoutgehalte op pijl te houden. Het is werkelijk niet om uit te houden. Ik zoek mijn collega op om te evalueren. Als hij mij vraagt of ik een plaats in mijn hoofd heb, wijs ik verlangend naar een grote boom die aan het einde van het veld staat. “In the shade, please…”

Het is ondertussen 10:30 en we hebben een korte break. Alle kinderen en leerkrachten zijn buiten. We zitten in de schaduw van een drietal bomen en drinken een kop thee met heel veel suiker. Minstens 40 kinderen staan vlakbij ons. Hun ogen zijn op ons gericht; ze nemen ons in zich op. Mijn Nederlandse collega opent haar tas. Dit is haar derde reis en zij heeft meer ervaring op dit gebied dan de rest van ons bij elkaar. “Ik wil dat je nu een koekje eet”, zegt ze. Ik draai mijn hoofd langzaam naar haar toe en voel dat mijn ogen zich verwijden. Ze kijkt me recht in mijn ogen aan en zegt rustig: “Dit moet je ook leren. Het is voor ons belangrijk dat we eten. Anders houden we het niet vol” Ze steekt een pakje Sultana’s mijn kant op. Met trillende hand trek ik er eentje uit. 80 kinderoogjes zijn op mij gericht. Ik neem een heel klein hapje. Ze komen niet dichterbij, zeggen niets, doen niets. Niets anders dan kijken naar mij en mijn koekje. Terwijl de kruimels langs mijn kiezen gaan, voel ik de honger in hun maagjes. Ik zie het verlangen in hun ogen. Wetend dat ze wellicht niet gegeten hebben vanmorgen, dat er vanavond na kilometers lang lopen misschien weer niets zal zijn. Die pure, kleine, donkere oogjes gemengd met die kalmte en beheersing waarmee zij het schouwspel in zich opnemen. Ik draai mijn hoofd naar Daniëlle en kijk haar smekend aan. Ze knikt begrijpend en ik herhaal haar woorden in mijn hoofd. Ik weet het. “Ik weet het”, zeggen mijn hersenen. Maar ik kan het niet. Ik voel mijn hart sneller bonzen en mijn wimpers maken zich klaar om tranen te vervoeren. Met gebroken stem sta ik op en loop ik weg van deze ondraaglijke situatie. Een paar meter verderop moet ik mijn alles geven om de aan de oppervlakte gekomen emoties weer weg te slikken. Het lukt.

Later op de middag komen wij terug in het hotel. Ik neem plaats in mijn vertrouwende stoel voor mijn huisje. Er staat een tweede stoel naast en niet later neemt Paul de voor hem vertrouwde stoel naast mij in beslag. Iedere dag praten we over wat we meegemaakt, gezien, gedaan en gevoeld hebben. Er heeft zich een ijzersterke band tussen ons gevormd en het voelt alsof we elkaar al jaren kennen. Paul voelt als een broeder voor mij. Natuurlijk is het logisch dat dit gebeurt op zo’n heftige reis. Het leuke is echter dat deze klik zich tijdens onze vliegreis al kenbaar maakte. Vanaf het begin delen we een uiterst krachtige vertrouwensband. Tevens hebben we ontzettend veel plezier door accenten de wereld in te brengen, tot een regelmatig ongenoegen van onze medereizigers. Voor ons is het echter zeer belangrijk om op deze wijze te ontladen. Paul begint te vertellen over zijn bezoek aan P1, de kleuterklas, waar de leerlingen tafels moesten leren, de hele ochtend in hun schoolbanken zaten en optelsommen als 23 + 14 moesten maken. Ik hoor de frustratie en ontroering in zijn stem; kleuters zijn Pauls specialisatie. Hij geeft aan zich zo machteloos te hebben gevoeld. Even later vertel ik over mijn Sultana koekje. De brok die ik eerder vandaag met zoveel moeite heb weggeduwd komt stekend weer omhoog. Deze keer laat ik het gebeuren. Terwijl ik doorga met vertellen, beginnen de tranen over mijn wangen te rollen. Alle gevoelens van verdriet, machteloosheid en pijn komen los. In Pauls ogen zie ik dat hij het begrijpt. Hij begrijpt het, zoals niemand anders op dit moment het zou kunnen begrijpen. Het begrip en medeleven in zijn ogen is voor mij de grootste troost die ik maar kan wensen, voel ik. Hierdoor kan ik ook vrij vlot weer stoppen met huilen. De emotie is gevoeld, ervaren, gezien en nu laat ik hem weer los. Maar ik weet dat ik dit moment nooit in mijn hele leven zal kunnen vergeten.

Als ik niet veel later mijn kast open om schone sokken te pakken, valt mijn blik op de bovenste plank. Ik heb een – voor mij – kleine hoeveelheid aan voedsel meegenomen als extra back-up. Naast de Tuc koekjes, cupasoup en groene thee liggen vier rechthoekige pakjes. Na een diepe zucht besluit ik deze pakjes zo snel mogelijk aan een andere reisgenoot aan te bieden. “Wil er iemand een pakje Sultana koekjes? Ik hoef ze niet meer.”

09-07-2015, Lira Oeganda

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.