De geur van angst

Met mijn ogen half dichtgeplakt en de slaap nog duidelijk in mijn hoofd manifesterend trek ik mijn gordijntje open op deze mooie morgen (ja, u leest het goed, de manager heeft een nieuwe gordijn op laten hangen dit weekend). De zon klimt langzaam boven de daken uit. Terwijl ik mijn uiterste best doe mijn ogen te laten functioneren – met andere woorden: waar is mijn bril gebleven? – kijk ik verstrooid mijn raampje uit. De gehele tijd dat ik hier verblijf kijk ik vanuit mijn huisje op een kaal muurtje uit. Achter het muurtje zijn de toppen van een klein aantal maïsplanten zichtbaar. Ik heb goed geslapen en voel me uitgerust. Ik geniet van de rust van het ontwaken op deze manier. Terwijl ik in dit gevoel rondzwem valt mijn oog op de bovenkant van het muurtje. Tussen alle zichtbare toppen zie ik een maïsplant driftig heen en weer bewegen. Het is alsof hij door elkaar wordt gerammeld. Gelijk voel ik de rust in mezelf wegtrekken, om plaats te maken voor een gevoel van realiteitsbesef. Ik weet wat er nu aan de andere kant van het muurtje aan de hand is. Ik zie het iedere morgen, vanuit mijn busje op weg naar de scholen. Honderden kinderen op hun blote voetjes, met takken, stokken en af en toe kleine tasjes op weg naar hun plaats van onderwijs. In hun kleine, zwarte handjes dragen de meeste een stuk van een maïskolf. Terwijl ze doorstappen zijn er restanten van een geel goedje zichtbaar rond hun mond. Kleine hapjes maïs worden naar binnen gewerkt en vormen hun ontbijt. Iedere ochtend opnieuw. Oeganda is een erg vruchtbaar land. Het is hier erg groen en overal groeit er voedsel. Van echte Afrikaanse honger is hier dan ook niet echt sprake. Terwijl ik toekijk hoe de maïsplant langzaam meer en meer wordt mishandeld, sta ik stil bij wat er in mij gebeurt. De plant stopt met schudden en het beeld bevriest voor mijn ogen. De oogst is binnen. Het kind aan de andere kant van de muur kan zijn honger stillen en zijn reis voor vandaag beginnen. Gelukkig maar. Het geheel blijft een bizar fenomeen, maar ik leer hier mijn zegeningen te tellen wanneer en waar ik kan.

Afgelopen maandag ben ik met mijn team gestart op de tweede school. Vergeleken met de eerste school, Agwata, is Alutkot wel even iets anders. De titel ‘plattelandsschool’ dragend, vertoont Alutkot duidelijke tekens van armoede. imageDe school heeft net als alle anderen zeven groepen. Echter hebben ze maar vier lokalen. Drie groepen zijn gedwongen te improviseren en krijgen op de meest creatieve manieren les. P2 en P3 krijgen les onder een rieten afdak, waarbij ze beide op de andere kant gericht zijn. Zo zitten de twee groepen dus met de ruggen naar elkaar toe; aimageltijd een hut delend zonder enig contact. De leerkracht schrijft de lesstof op een schoolbord waarna de kinderen dit geruisloos overschrijven. De hele ochtend lang. Besef u wel dat P2 en P3 ongeveer gelijk staan aan onze groepen 2 en 3… De hele ochtend zitten deze kinderen op grote keien, in stilte werkend aan hun oefeningen. Ik ben erbij gaan zitten om te observeren. Mijn achterwerk begon na twee minuten al te protesten… Constant raak ik vervuld van de gigantische wilskracht die deze kinderen bezitten. Wat een kracht, wat een discipline. Wat een onrechtvaardigheid die deze kinderen moeten dragen en weerstaan. De Afrikaanse oerkracht heeft mij tot diep in mijn ziel geraakt, iedere dag weer sinds ik hier vertoef.

Ook qua gezondheid zien wij hier heel andere dingen dan vorige week. Er lopen verscheidene kinderen rond met doeken rond hun mond geknoopt. Als ik mijn key teacher Nelson vraag wat hier de reden van is, is zijn antwoord luchtig. “These children have malaria.” Huiverend laat ik mij ogen in de zijne verdwalen, geschokt door zijn kalme en nuchtere toon van spreken. Voor zover ik weet is malaria niet besmettelijk. Het schijnt dat de lippen van deze kinderen zo zijn aangetast door de malaria, dat zij deze willen bedekken. Bovendien is contact met zonlicht en vliegen zeer onaangenaam. Voordat het tijd is voor onze tea break zie ik een klein mannetje met zo’n doek eenzaam zitten tegen de muur van een schoollokaal, terwijl de andere kinderen van hun peuze aan het genieten zijn aan het einde van het schoolplein. Zijn rug is gebogen in verdriet, terwijl zijn vingers langzaam hun weg langs een gevonden stukje touw vinden. Ik loop rustig van mijn collega’s weg en neem plaats op de rots naast hem. Zijn ogen vinden de mijne en ik voel het intense verdiet mijn hart binnenstromen. Zijn houding verandert nu er angst zijn systeem binnenkomt. Er gaat zomaar een blank mens, die de meeste kinderen, zo ook hij, nog nooit gezien hebben naast hem zitten. Ik probeer hem met mijn ogen en een kalmte in mijn gezicht te laten weten dat het goed is. Een paar momenten later zie ik zijn houding ontspannen en probeer ik voorzichtig met hem te praten. Hij vertelt mij dat hij erg ziek is geweest, maar zijn treatment heeft gehad. Wel heeft de malaria zijn lippen enorm aangetast en hij wil niet dat de andere kinderen dit zien. Hij heeft het idee dat de anderen hem niet willen aanraken, vandaar zijn keuze om zich af te zonderen. Teder leg ik mijn hand op zijn zwarte handje en ik krijg een met pijn vervulde glimlach terug. “Nog maar even mijn jonge vriend”, zeg ik in het Engels tegen hem. “Het ergste is al achter je. Straks zul je je doek niet meer nodig hebben en weer heerlijk kunnen spelen met je broeders en zusters. Nog even volhouden.” Als we even later aan de thee zitten, zie ik een van onze Nederlandse studenten opstaan en naar een dichbijzijnde mangoboom lopen. Ook hier zit een kind met een doek om zijn mond geknoopt. En ook zij zoekt contact met dit kind om hem te troosten. We doen mooie dingen hier in Afrika, wij Nederlanders.

Hoewel blanken ook hier een enorme uitzondering vormen, werd er minder heftig op ons gereageerd dan vorige week. Wel valt mij op dat mijn hart ijskoud aanvoelt vanaf het moment dat wij het schoolterrein oplopen. Er heerst hier een voelbare dreiging, als een fles waarvan de kruk er ieder moment met een enorme knal uit kan schieten. De kinderen hier zijn bang, erg bang. Er is hen vroeg in hun jonge leventjes getoond dat kinderspel en vrijheid niet bij de bestaande mentaliteit horen. De angst voor fysiek geweld kan ik in ieder paar kinderoogjes lezen en maakt dat mijn blonde haren overeind gaan staan. Als ik even later begin met observeren merk ik duidelijk hoezeer deze angst aanwezig is en al het andere overheerst. De kinderen durven niet antwoord te geven als hen iets gevraagd wordt, ze zijn veel te bang wat er gebeurt als het fout is. Bij Nelson komen ze gelukkig een beetje meer los. Maar ook de manier waarop het antwoord vervolgens gegeven wordt, baart mij enorme zorgen. De kinderen bij Agwata gingen rechtop staan als ze iets zeiden, met een volume waarbij de hele klas het kon volgen. Hier zie ik dat de kinderen ineen krimpen zodra ze staan en hun hoofd wegdraaien van de leerkracht. De confrontatie lijkt hen te groot te zijn. Vanuit mijn eigen kern als mens en leerkracht maak ik contact wat hier gebeurt. Ik merk dat ik moeite moet doen om in het lokaal te blijven en mijn hoofd breek om een manier te vinden hoe ik hiermee moet omgaan. Gelukkig heb ik nog een dag voordat ik begin met lesgeven. Nog even tijd om te wennen…

Terwijl ik even later weer terug loop naar mijn wachtende beker thee, zijn mijn collega’s druk aan het praten. Het onderwerp is het huwelijk, specifiek: de bruidsschat die overhandigd dient te worden als een jongeman een jongedame tot zijn bruid neemt. Grace neemt ijverig het voortouw in het gesprek en vertelt ons vol passie over de Afrikaanse tradities. “Zodra een jongen naar de basisschool gaat, krijgt hij dan de zuster van zijn vader een kip. Deze kip wordt zijn verantwoordelijkheid en hij moet ervoor zorgen dat zij in staat is vele nakomelingen voort te brengen. Wanneer er overvloed is, gaat hij met de extra kippen en eieren naar de markt. Het verdiende geld wordt opgespaard en zodra er voldoende beschikbaar is, wordt hiervan een koe gekocht. Zo zal het aantal dieren zich uitbreiden en heeft de jongen aan het einde van zijn basisschoolperiode een kleine kudde. Wil hij aan het einde van zijn pubertijd trouwen dan dient hij toestemming te vragen aan de vader van de dame van zijn dromen. Die geeft dan aan, afhankelijk van de status van de familie waar hij zijn dochter aan zal afstaan, hoeveel koeienkoppen hij voor zijn dochter wil hebben.” Als beelddenker zie ik een jonge Afrikaan met 15 bungelde koeienkoppen in zijn handen onderhandelden met zijn toekomstige schoonvader. “Just the heads…?”, vraag ik peinzend, nog steeds met het genoemde beeld op mijn netvlies. Grace slaat dubbel van het lachen en zegt proestend: “No Robin, the rest too…” Iedere keer wanneer ik een koe bespeur tijdens het vervolg van de week roep ik enthousiast: “Collect the heads!”, met veel hilariteit als gevolg. Gelukkig is er ook ruimte voor plezier en gelach tijdens onze reis. Ook dat is nodig om ons op de been te houden.

13-07-2015, Lira Oeganda

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.